Wageningen zet met voldoende budget en één loket in op bestaanszekerheid
Wageningen werkt aan een toekomst waarin iedereen toegang heeft tot een stabiel inkomen, werk en een fijne leefomgeving.
De inzichten en uitdagingen van dit verkennend onderzoek samengevat:
Door stijgende energieprijzen neemt de energiearmoede onder huishoudens toe. Deze huishoudens hebben te maken met een laag inkomen in combinatie met een hoge energierekening of een woning in slechte energetische staat. In 2023 waren er naar schatting bijna 400 duizend energiearme huishoudens, oftewel 4,8 procent van het totaal aantal huishoudens in Nederland, een stijging van 70 duizend ten opzichte van 2022. TNO schat in dat zonder de energietoeslag en het tijdelijk prijsplafond energie er in 2023 circa 885 duizend huishoudens (10,7%) in energiearmoede waren geweest, zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 023, nr. 522. 1 De energieprijs zal de komende jaren toenemen, zo is de verwachting, en daarmee ook het aantal huishoudens waarvoor het moeilijker wordt om de energierekening te betalen. TNO onderzocht de impact van stijgende energieprijzen op energiearmoede in Nederland in 2025, zie: Scenario’s energiearmoede 2025 bij stijgende energieprijzen (https://www.tno.nl/nl/newsroom/2025/03/scenario-energiearmoede-2025-energie/?utm_source=linkedin&utm_medium=social&utm_content=grafieken&utm_term=TNO) 2
Energiearmoede komt in Nederland vooral voor in het landelijk gebied aan de randen van het land én in zeer verstedelijkte gebieden. Huishoudens op het platteland, met name in het noorden, oosten en delen van Zeeland, hebben vaak hogere energiekosten dan die in de Randstad. Zie Mulder, P., Dalla Longa, F., Straver.K. (2021), De feiten over energiearmoede in Nederland: Inzicht op nationaal en lokaal niveau, TNO 2021 P11678. 3 Het niveau van energiearmoede per huishouden is gemiddeld het hoogst in rurale gemeenten aan de randen van Nederland. Zie TNO (2024), De energiearmoedekloof in Nederland, een microdata-analyse van het niveau en de ongelijkheid van energiearmoede 4 Die gebieden kennen relatief veel huishoudens met een laag inkomen en huizen die slecht geïsoleerd zijn.
Er wordt veel onderzoek gedaan naar energiearmoede, naar de oorzaken en ook naar mogelijke aanpakken. Er zijn verschillende voorbeelden van (goede) aanbevelingen voor gemeenten om energiearmoede aan te pakken. Wat ontbreekt is kennis over de aanpak in wijken en dorpen in (kleinere) gemeenten aan de randen van het land (waar de grootste energiearmoede te vinden is) én inzicht in de effectiviteit van deze maatregelen (om de energiearmoede te verkleinen of teniet te doen). In dit artikel staat het eerste deel centraal. In een mogelijk vervolgproject beogen wij inzicht te krijgen in de effectiviteit van de maatregelen.
Dit artikel is het resultaat van een verkennend onderzoek. Daarbij zoomen we in op een aantal gemeenten aan de randen van het land die een wijk of buurt kennen met een relatief hoog aantal huishoudens dat kampt met energiearmoede. Voeren deze gemeenten beleid gericht op de wijk of buurt met de hoge energiearmoedecijfers? Of vindt er juist generiek beleid plaats? En welke instrumenten en maatregelen worden er ingezet? En is er ook rol weggelegd voor eventuele bewonersinitiatieven die daar actief zijn? Dat lijkt voor de hand te liggen omdat juist in kwetsbare buurten, wijken en dorpen vaak argwaan bestaat tegen gemeenten. Het ondersteunen, in beweging krijgen en enthousiasmeren van bewoners lijkt kansrijker met inspiratie van medebewoners.
Energiearmoede wordt gedefinieerd als het gebrek aan toegang tot (betaalbare) energievoorzieningen in huis. Zie Mulder, P., F. Dalla Longa, en K. Straver (2021), De feiten over energiearmoede in Nederland. Inzicht op nationaal en lokaal niveau. Amsterdam: TNO. 5 Het gaat dan bijvoorbeeld over huishoudens die door hun financiële situatie en de slechte staat van hun woning geen gezond binnenklimaat kunnen handhaven. Maar ook kan er sprake zijn van huishoudens die niet (financieel) mee kunnen in de energietransitie. Zie CBS (2023), Methoderapport Monitor Energiearmoede, CBS Den Haag, 23 november 2023. 6 TNO en het CBS hebben verschillende indicatoren van energiearmoede ontwikkeld om energiearmoede te meten. Hierbij worden drie dimensies van energiearmoede beschouwd: de betaalbaarheid van energie, de energetische kwaliteit van het huis, en de mogelijkheid om mee te doen aan de verduurzaming. Op basis van deze dimensies zijn vier basisindicatoren ontwikkeld, te weten HEQ (huishouden met Hoge Energiequote (HEQ), LIHE/LIHEK (huishouden met Laag Inkomen & Hoge Energierekening), LILEK (huishouden met Laag Inkomen & huis met Lage Energetische Kwaliteit) en LEKWI (huis met Lage Energetische Kwaliteit & huishouden met Weinig Investeringsmogelijkheden). Voor een uitgebreide toelichting, zie CBS (2023), Methoderapport Monitor Energiearmoede, CBS Den Haag, 23 november 2023, p.5. 7 Om tot de lijst van gemeenten te komen is, zoals eerder aangegeven, gekeken naar de indicatoren LIHE/LIHK en LILEK zoals weergegeven in de energiearmoedekaart Nederland van TNO. Zie TNO Energiearmoede kaart Nederland (https://energiearmoede.tno.nl/) 8
De centrale vraag van het verkennend onderzoek is: hoe gaan gemeenten (aan de randen van het land) te werk om hoge energiearmoede in een wijk (of meerdere wijken) tegen te gaan? Het antwoord op deze vraag is nuttig voor andere gemeenten die met dezelfde opgave te maken hebben.
Om na te gaan welke gemeenten aan de randen van het land wijken of dorpen kennen met hoge energiearmoede, is gebruik gemaakt van verschillende TNO-rapporten waarin informatie over de omvang van energiearmoede op gemeente- en wijkniveau wordt gegeven. Zie Energiearmoede voorkomen | TNO (https://www.tno.nl/nl/duurzaam/systeemtransitie/sociale-innovatie/energiearmoede-voorkomen/), TNO Energiearmoede kaart Nederland (https://energiearmoede.tno.nl/). 10 Daarbij is in het bijzonder gekeken naar de indicatoren LIHE(K) (of LILEK) op wijkniveau. LIHK en LILEK worden hieronder nader toegelicht. 11 Zo is een lijst van gemeenten (aan de randen van het land) ontstaan waar de energiearmoede in een wijk of dorp hoog is. ‘Hoog’ betekent concreet een positie van de betreffende wijk of dorp in de top 200 van hoogste percentages (van alle wijken in Nederland die worden onderscheiden) voor de genoemde indicatoren. Er is met ruim 20 gemeenten contact opgenomen voor een gesprek. Deze gemeenten zijn benaderd via bestaande contacten. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in 14 gesprekken met gemeenten. De gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Bergen op Zoom, Brunssum, Eemsmond, Emmen, Arnhem, Kerkrade, Helmond, Heerlen, Oldambt, Roermond, Vaals, Weststellingwerf. 12 In het eerste contact met de gemeenten hebben wij gevraagd naar een gesprekspartner die het meest over het onderwerp ‘aanpak van energiearmoede’ zou kunnen vertellen. Daaruit bleek dat het onderwerp vaak was belegd bij een medewerker van team duurzaamheid. De gesprekken vonden dan ook voornamelijk plaats met beleidsmedewerkers die duurzaamheid en/of energietransitie in hun portefeuille hebben en goed bekend zijn met de gemeentelijke aanpak maar ook spraken we met enkele beleidsmedewerkers sociaal domein. De functiebenamingen van de gesprekspartners varieerden van beleidsmedewerker duurzaamheid en procesregisseur sociaal domein tot projectleider energietransitie en klimaatadaptatie. Opvallend was dat meerdere keren de gesprekspartner tijdelijk bleek te worden ingehuurd door de desbetreffende gemeente.
In elk van de gesprekken met gemeenten stond in eerste instantie de wijk centraal waar de energiearmoede hoog is. De centrale vraag daarbij was ‘wordt er specifiek beleid gevoerd om de energiearmoede in die specifieke wijk aan te pakken?’ Indien het antwoord ontkennend was, werd het gesprek voortgezet om zo het generieke beleid van de desbetreffende gemeente door te nemen. Daarbij is ook gevraagd naar eventuele betrokkenheid van de in de gemeenten actieve bewonersinitiatieven in de aanpak van energiearmoede. De gesprekken zijn gevoerd op basis van een gesprekspuntenlijst. Van elk gesprek is een beknopt verslag gemaakt. Het onderstaande geeft de belangrijkste bevindingen van de gesprekken weer.
Voor de meeste geïnterviewde gemeenten geldt dat het bekend is dat er een wijk (of meerdere wijken) zijn waar de energiearmoede (zeer) hoog is. Een enkele keer wordt opgemerkt dat dat wellicht bekend is bij een andere collega (die werkzaam is in het sociaal domein) maar er zijn ook een paar gemeenten die aangeven dat men er niet van de op de hoogte is of dat men verrast is omdat men andere wijken had verwacht.
De oorzaken die worden gegeven voor de hoge energiearmoedecijfers zijn divers. Meerdere keren wordt gewezen op het gegeven dat het om een wijk of buurt gaat met relatief veel woningcorporatiebezit en slecht geïsoleerde particuliere woningen. In die wijken of buurten staat het verduurzamen bij veel woningeigenaren (nog) niet op het netvlies of het heeft geen prioriteit omdat er andere, meer urgente sociaalmaatschappelijke uitdagingen zijn. Gemeenten hebben ook niet altijd een goed beeld van hoe woningcorporaties bezig met hun verduurzamingsopgave. Een enkele keer wordt opgemerkt dat de buurt of wijk relatief veel ouderen kent die minder bezig zijn met de energietransitie (en met verduurzamingsmaatregelen van hun eigen woning).
In de gesprekken komt ook regelmatig naar voren dat het lastig is bewoners in de buurten en wijken met hoge energiearmoede te bereiken. Dat kan te maken hebben met – zoals hiervoor ook opgemerkt – de aanwezigheid van meerdere sociaalmaatschappelijke uitdagingen waardoor men niet openstaat voor een gesprek met de gemeente over verduurzaming van de woning. Maar ook kan het soms te maken hebben met de migratieachtergrond van bewoners waarmee het vanwege een taalbarrière lastig te communiceren is. Ook de minder hoge sociale cohesie wordt een paar keer genoemd als reden dat men bewoners minder snel weet te bereiken. Een enkele keer wordt aangegeven dat de (energie)armoede vooral zit bij startende huishoudens die recent een woning hebben gekocht die lastig zijn om te verduurzamen (bijvoorbeeld jaren 20-woningen uit de vorige eeuw of voormalige corporatiewoningen). Vaak betaalt men de hoofdprijs voor de woning en dan dient deze ook nog verduurzaamd te worden. Daarvoor ontbreken dan de middelen.
Opvallend is dat er onder de gesprekspartners vaak onduidelijkheid is of een bewonersinitiatief (die zich richt op de energietransitie) actief is in de buurt of wijk met een relatief hoog energie-armoedepercentage. “Dat zou ik aan een collega moeten vragen”. Gesteld kan worden dat in de wijken waar de energiearmoede relatief hoog is bewonersinitiatieven vrijwel niet aanwezig zijn of (als ze er zijn) weinig tot geen bekendheid hebben bij de gemeente. Dat zou te maken kunnen hebben met het gegeven dat in dergelijke wijken andere, meer nijpende, problematiek speelt (bijvoorbeeld rond gezondheid) en dat de aanpak van energiearmoede niet de eerste aandacht heeft van bewoners. De bewonersinitiatieven die worden genoemd zijn, zover bekend bij de gesprekspartners, niet direct betrokken bij de aanpak van energiearmoede. Eén keer werd opgemerkt dat er een bewonersinitiatief actief is die ook betrokken is bij de aanpak van energiearmoede maar dat initiatief was actief in een andere wijk binnen die gemeente dan waar het gesprek betrekking op had. 13 Een enkele keer wordt opgemerkt dat men bezig is om bewoners (en andere belanghebbenden) uit de wijk te betrekken bij een wijkontwikkelplan om te kijken hoe er kan worden verduurzaamd. Ook wordt er een paar keer aangegeven dat een bewonersinitiatief wordt betrokken bij de totstandkoming van een wijkuitvoeringsplan. Een aantal gemeenten geeft aan dat er wel energiecoöperaties in de gemeente actief zijn, maar dat deze zich over het algemeen niet richten op de energiearmoede doelgroep.
Er zijn slechts een paar gemeenten die energiearmoedebeleid voeren dat specifiek gericht is op één of enkele wijken waar de energiearmoede hoog (of het hoogst) is. Zo is er in één gemeente een specifieke wijkgerichte aanpak in vijf focuswijken, De keuze voor deze vijf focuswijken kwam tot stand op basis van data-analyse. Een aantal datasets – energiearmoede, energielabels, sociale indicatoren als schulden, vroegsignalering en participatiewet – zijn over elkaar heen gelegd. Uiteindelijk rolden daar vijf wijken uit die extra aandacht verdienen. 14 maar daar is sprake van naast het generieke beleid dat de desbetreffende gemeente voert. Samen met de aanwezige woningcorporaties heeft de gemeente aan de hand van de renovatieplannen van deze woningcorporaties een plan van aanpak voor deze wijken gemaakt. Zie ook https://www.platform31.nl/artikelen/energiearmoede-arnhem-investeert-in-het-sociale-weefsel-van-de-wijk/ (https://www.platform31.nl/artikelen/energiearmoede-arnhem-investeert-in-het-sociale-weefsel-van-de-wijk/) 15 In één andere gemeente is de aanpak gericht op één wijk, te weten de wijk waar de energiearmoede het hoogst is. De reden dat de aanpak zich richt op één wijk (en niet op meer wijken) heeft te maken met beperkte capaciteit en middelen. Huishoudens met een laag inkomen en een laag energielabel worden met de aanpak geholpen om hun energiekosten omlaag te brengen. Dit wordt onder andere gedaan door een ‘Klusteam’ dat gratis kleine energiebesparende maatregelen als tochtstrippen, ledverlichting en waterbesparende douchekoppen komt installeren bij mensen thuis. Zie Bijstandsgerechtigden en statushouders helpen bij aanpak energiearmoede – Platform31 | Kennis en netwerk voor stad en regio (https://www.platform31.nl/artikelen/bijstandsgerechtigden-en-statushouders-helpen-bij-aanpak-energiearmoede/) 16
De meeste gemeenten voeren generiek beleid gericht op het tegengaan en aanpakken van energiearmoede. Bij het voeren van generiek beleid zijn de maatregelen veelal op doelgroepen gericht, dus niet alleen degenen die in de wijk, buurt of dorp wonen met een hoge energiearmoede maar ook in andere wijken, buurten en dorpen. Door een aantal gemeenten wordt wel aangegeven dat er met het generieke beleid wordt gestart in de wijken waar de energiearmoede het hoogst is. Ook wordt een paar keer aangegeven dat de gemeente voor de wijk of wijken met de hoogste energiearmoede als eerste start met het opstellen van het wijkuitvoeringsplan. Ter voorbereiding op de gebiedsgerichte energietransitie hebben gemeenten in 2021 een Transitievisie Warmte (TvW) op moeten stellen waarin zij per deelgebied (zoals een wijk, buurt of dorp) mogelijke warmtealternatieven in kaart brengen en de volgorde aangeven waarin zij gebieden aardgasvrij(-ready) willen maken. De verdere details worden vervolgens per gebied uitgewerkt in een zogeheten (wijk)uitvoeringsplan. Hierin komen de stappen en maatregelen samen van en voor betrokken partijen met als doel een aardgasvrije wijk of buurt. 17 De hoge energiearmoede in die wijk is daarvoor het belangrijkste argument.
Het voeren van generiek beleid gericht op doelgroepen start vaak met het in beeld krijgen – door de gemeente zelf of door inschakeling van een adviesbureau – waar de energiearmoede (of het risico erop) het grootst is. Hoe dit concreet wordt aangepakt, verschilt per gemeente, maar opvallend is dat er eerder naar inkomen wordt gekeken dan naar de energetische kwaliteit van de woning. Dat heeft deels te maken met het gegeven dat men huishoudens met lage inkomens (bijvoorbeeld een inkomen onder de 130 procent van het sociaal minimum) al vaak in beeld heeft vanwege de koppeling aan de energietoeslag. Deze groep wordt geregeld als eerste benaderd. Huishoudens die een wat hoger inkomen hebben kunnen zelf een aanvraag indienen voor hulp, bijvoorbeeld van een energiecoach. Maar zoals gezegd verschilt de aanpak per gemeente.
Uit de gesprekken met de gemeenten blijkt dat zij het aanpakken en tegengaan van energiearmoede niet als een op opzichzelfstaand vraagstuk zien. Indien er sprake is van energiearmoede dan spelen er vaak ook andere sociaalmaatschappelijke problemen, bijvoorbeeld schulden of een slechte gezondheid, zo geven de gemeenten aan. Dat is dan ook een belangrijke reden voor gemeenten om energiearmoede breed aan te pakken, met name vanuit het sociaal domein. De energiecoach of energiefixer die bij de inwoners achter de voordeur komt, zien andere sociaalmaatschappelijke problematiek en geven dit door aan medewerkers binnen het sociaal domein die daar vervolgens verder mee aan de slag gaan. Het gegeven dat de gemeentelijke aanpak van energiearmoede vooral gericht is op de sociaalmaatschappelijke kant ervan betekent niet dat de verduurzamingskant niet aan de orde komt. Wel beperkt het zich veelal tot kleinere verduurzamingsmaatregelen (bijvoorbeeld maatregelen rond energiebesparing). Grotere, meer structurele maatregelen (bijvoorbeeld isolatiemaatregelen) zijn minder te zien bij huishoudens die met energiearmoede kampen. Dat heeft enerzijds te maken met het gegeven dat veel huishoudens die met energiearmoede te maken hebben in een huurwoning wonen (en dus afhankelijk van de eigenaar or corporatie zijn). Anderzijds staat de isolatieaanpak in veel van de gesproken gemeenten nog in de kinderschoenen. Soms hebben gemeenten nog geen aanpak of ontzorgingsaanbod, anderen staan pas in de startblokken (en hebben er nog niet of nauwelijks over gecommuniceerd) waardoor voor huishoudens de weg naar subsidies nog moeilijk te maken is.
Zoals aangegeven zijn er ook gemeenten die in de wijken met de hoogste energiearmoede willen beginnen met het opstellen van een wijkuitvoeringsplan. Een uitvoeringsplan is een plan om de gebouwde omgeving in een gebied aardgasvrij te maken, of als tussenstap aardgasvrij-ready. 18 Soms wordt daarbij vermeld dat er specifiek vanuit de gemeenteraad wordt gekozen om te starten met deze wijken omdat de huishoudens die er wonen extra kwetsbaar zijn en een structurele oplossing nodig hebben. De intentie is er om zo veel mogelijk bewoners hierin mee te krijgen. De gemeente (of een adviesbureau) stellen hiervoor een participatiestrategie op om met bewoners, woningcorporaties, energiebedrijven e.d. gezamenlijk tot een plan te komen.
In één gesprek kwam naar voren dat er – naast de eigen, lokale aanpak – ook sprake is van een regionale aanpak van energiearmoede, namelijk het isolatie en verduurzamingsprogramma (IVP) Parkstad Limburg. Parkstad Limburg = 7 samenwerkende gemeentes in Limburg (Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Simpelveld, Voerendaal). 19 Het IVP is opgezet als ‘groeimodel’, dat wil zeggen dat er activiteiten of regelingen aan kunnen worden toegevoegd of beëindigd. Daardoor kunnen ook meer of andere doelgroepen ondersteund worden. Het IVP krijgt – naast het Nationaal Isolatie Programma (NIP) en de Specifieke Uitkering (SPUK) – middelen vanuit verschillende bronnen zoals het volkshuisvestingfonds en regiodeal.
Elke gemeente kent een mix aan gemeentelijke- en landelijke maatregelen, subsidiemogelijkheden en aanpakken. Regelmatig, maar zeker niet altijd, worden genoemd de SPUK Aanpak Energiearmoede, de inzet van energiecoaches- en fixers (die vaak vanuit SPUK worden gefinancierd), het Nationaal Isolatie Programma (NIP), de energietoeslag en de witgoedwissel. De energietoeslag wordt vrijwel door alle gemeenten genoemd. Ook de inzet van energiecoaches en/of energiefixers wordt door de meeste gemeenten genoemd. Het NIP en de witgoedwissel zijn bekend maar veel gemeenten staan nog maar in de startblokken, of zijn net begonnen, om actief hierover te communiceren en ermee aan de slag te gaan.
Naast de hiervoor genoemde maatregelen en aanpakken die in de meeste gesprekken naar voren kwamen, zijn er hier en daar initiatieven door de gemeenten zelf ontwikkeld zoals een ontmoetingsplek waar mensen kunnen binnenwandelen voor vragen, een klusbus, buurtklusbedrijven, de inzet van een opbouwwerker, de Groene Bon actie Zie Groene Bon kan rekenen op enorme belangstelling in Weststellingwerf – Regio Online (https://regioonline.nl/regio-heerenveen/groene-bon-weststellingwerf/) 23 , een energieknip Zie Parkstad Energieknip – Parkstad Energieknip (https://parkstad.energieknip.nl/). De Parkstad Energieknip is sinds 1 januari 2025 beëindigd. 24 , een ‘doe-het-zelvers’-aanpak etc.
Woningeigenaren binnen de provincie Groningen en gemeenten in Noord-Drenthe kunnen in 2025 subsidie aanvragen om hun woning te isoleren (zie onderstaand kader). Dit is een van de maatregelen om mensen met schade door aardbevingen te helpen. Deze subsidie komt naast de andere subsidies en leningen die beschikbaar zijn via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), zoals de Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE) en de Energie-investeringsaftrek (EIA). Woningeigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van isolatiemaatregelen. Voor huurders wordt dit geregeld via de particuliere verhuurder of woningcorporatie. Voor huurwoningen met energielabels E,F en G ontvangen woningcorporaties van het Rijk een bijdrage van € 200 miljoen. Huurders van woningcorporaties hoeven niet te betalen voor deze isolatiemaatregelen en de huur mag om deze reden niet worden verhoogd. Een huurverhoging vanwege inflatie blijft echter wel mogelijk.
In het aardbevingsgebied van Groningen en Noord-Drenthe zijn er verschillende financiële regelingen beschikbaar om bewoners te ondersteunen bij het nemen van verduurzamingsmaatregelen. Zo kunnen eigenaren van woningen in het aardbevingsgebied een subsidie krijgen om hun woning te verduurzamen en te verbeteren. Een subsidie tot €7.000 kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de woning te verduurzamen, bijvoorbeeld voor het kopen van zonnepanelen, isolatiematerialen of HR++ glas. Maar er is ook een subsidie waarmee achterstallig onderhoud kan worden opgelost, verduurzamen of zorgen voor meer wooncomfort. De verbeteringen zijn gericht op een duurzame verbetering van uw gebouw. Eigenaren die door hun gemeente geselecteerd zijn voor maatwerk (blok B) komen ook in aanmerking voor een subsidie van 17.000 euro en een vrij besteedbaar bedrag van 13.000 euro. Zie Subsidie verduurzaming en verbetering gebouwen | Ik ben eigenaar | Nationaal Coördinator Groningen (https://www.nationaalcoordinatorgroningen.nl/eigenaar/regelingen-en-subsidies/subsidie-verduurzaming-en-verbetering-gebouwen) 26
Vanaf 2025 is er 1,5 miljard euro beschikbaar om woningen te isoleren. Dit gaat om alle woningen in Groningen (10 gemeenten) en Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo) die nog niet goed geïsoleerd zijn. De maatregel gaat ‘met terugwerkende kracht’ in vanaf 25 april 2023 en loopt tot en met 31 december 2035. Het doel is alle woningen in de provincie Groningen en in Noord-Drenthe te isoleren zodat alle inwoners een duurzame en energiezuinige woning kunnen krijgen. Deze maatregel gaat energiearmoede tegen en zorgt ervoor dat mensen profiteren van lage energiekosten.
De centrale vraag in dit verkennend onderzoek luidde: “Hoe gaan gemeenten aan de randen van het land te werk om hoge energiearmoede in een wijk (of meerdere wijken) tegen te gaan?” Op basis van een veertiental gesprekken met gemeenten die één of meerdere wijken, buurten of dorpen kennen met hoge energiearmoede kan worden gesteld dat er vooral gekozen wordt voor een gemeentebrede aanpak. Die aanpak wordt vaak gestart in de wijken, buurten of dorpen met de hoogste energiearmoedecijfers om van daaruit verder uit te rollen naar andere wijken. Van een gemeentebrede aanpak wordt niet alleen gesproken omdat alle wijken, buurten en dorpen (of een groot deel ervan) worden benaderd maar ook omdat dat er een breed palet van maatregelen, subsidies en financieringsmogelijkheden wordt ingezet. Het Nationale Isolatie Programma (NIP), energietoeslagen, de witgoedwissel, energiecoaches en fixers worden vaak genoemd, maar zeker niet altijd. Daarnaast worden er, afhankelijk van de financiële mogelijkheden van de gemeente, ook lokaalspecifieke maatregelen en activiteiten ingezet. Slechts een paar gemeenten hanteren een specifiek wijkgerichte aanpak, soms omdat ze ervoor kiezen bepaalde wijken met hoge energiearmoede te prioriteren, soms omdat de middelen en capaciteit ontbreken om meer wijken, buurten of dorpen te bereiken.
Wat uit de gesprekken met gemeenten vaak naar voren komt is het besef dat de aanpak van energiearmoede niet een opzichzelfstaand vraagstuk is. Indien er sprake is van energiearmoede dan spelen er vaak ook andere sociaalmaatschappelijke problemen. Dat is dan ook een belangrijke reden voor gemeenten om energiearmoede breed aan te pakken, met name vanuit het sociaal domein. Doordat met name energiecoaches en energiefixers achter de voordeur komen, wordt ook andere sociaalmaatschappelijke problematiek gezien waarmee bijvoorbeeld zorg- en welzijnsmedewerkers verder mee aan de slag gaan. De gemeentelijke aanpak van energiearmoede richt zich vooral op de sociaalmaatschappelijke kant, maar omvat ook kleinere verduurzamingsmaatregelen, vooral op het gebied van energiebesparing. Grotere maatregelen, zoals isolatie, zijn nog minder gebruikelijk bij huishoudens met energiearmoede, deels omdat veel van deze huishoudens in huurwoningen wonen en afhankelijk zijn van de eigenaar, en deels omdat de aanpak en communicatie van de gemeente hierover nog in de kinderschoenen staat (en er nog geen subsidiepot is opgezet). In de gesprekken met gemeenten komt ook de rol van woningcorporaties aan de orde. Doorgaans zijn gemeenten van mening dat de corporaties verduurzaming van hun woningvoorraad goed oppakken Zie ook Monitoring brengt gemeentelijke aanpak energiearmoede in beeld (https://www.tno.nl/nl/newsroom/2024/06/gemeenten-energiebesparende-maatregelen/) 27 ; zo wordt er volgens deze gemeenten door corporaties stevig ingezet op zonnepanelen en woningisolatie en ook wordt er in sommige gemeenten samen gewerkt als het gaat om de inzet van energiecoaches en fixers. Maar er zijn ook gemeenten die weinig zicht hebben op de activiteiten en maatregelen van corporaties als het gaat om het voorkomen en tegengaan van energiearmoede. In algemene zin kan worden gesteld dat gemeenten en corporaties nog niet stevig de handen ineen slaan als het gaat om de aanpak van huishoudens met energiearmoede. Opvallend is dat in de wijken waar de energiearmoede relatief hoog is, bewonersinitiatieven vrijwel niet aanwezig zijn of (als ze er zijn) weinig of niet in beeld zijn bij de gemeente.
Om huishoudens die te maken hebben met energiearmoede beter te kunnen bereiken en te ondersteunen kunnen verschillende aandachtspunten worden benoemd:
Zet de bewoner centraal in de energiearmoede aanpak: zeker voor de kwetsbare en wantrouwende burger is het van belang dat ze zich gehoord voelen. Begin daarom ‘klein’ en bouw langzaam het contact en vertrouwen op en laat zien dat je doet wat je zegt. Dit zorgt ook voor communicatie bij de bewoners onderling”. Zie ook https://www.platform31.nl/artikelen/pak-energiearmoede-aan-door-in-vertrouwen-te-investeren/ (https://www.platform31.nl/artikelen/pak-energiearmoede-aan-door-in-vertrouwen-te-investeren/) https://www.platform31.nl/artikelen/persoonlijke-aandacht-in-de-strijd-tegen-energiearmoede/ (https://www.platform31.nl/artikelen/persoonlijke-aandacht-in-de-strijd-tegen-energiearmoede/) https://www.platform31.nl/artikelen/sleutelpersonen-in-de-wijk-helpen-bij-aanpak-van-energiearmoede/ (https://www.platform31.nl/artikelen/sleutelpersonen-in-de-wijk-helpen-bij-aanpak-van-energiearmoede/) 28 Energiefixers/coaches – of andere sleutelpersonen – die bekend zijn in de wijk/buurt/dorp kunnen daarin een belangrijke rol spelen, door wantrouwen weg te nemen, energiebesparende maatregelen door te voeren, advies te geven, vertrouwen opbouwen en nagaan of er andere problemen spelen en vervolgens verbindingen leggen met welzijnsorganisaties, woningcorporaties e.a. Via mond-tot-mond reclame kan dit zich vervolgens als een olievlek verspreiden in wijk, buurt en dorp.
Beginnen met het doorvoeren van kleinere, energiebesparende maatregelen is vaak noodzakelijk maar zeker niet altijd voldoende. Om tot structurele oplossingen (voor een structureel probleem) te komen zijn vaak vergaande isolatiemaatregelen noodzakelijk. Er zijn verschillende subsidiemaatregelen beschikbaar maar de weg daar naartoe – d.w.z. het uitzoekwerk, de subsidieaanvraag en eventueel ook deels de uitvoering van de verduurzaming – is complex en niet iets waar huishoudens met energiearmoede de energie en kennis voor hebben. Voor huishoudens met geld- en andere zorgen vormt zo weinig mogelijk bureaucratische en praktische rompslomp (‘ontzorging’) daarom een belangrijke factor voor succes. In de gesprekken met de 14 gemeenten is de term ‘ontzorging’ niet vaak gevallen. Daar is nog een wereld te winnen, mits subsidies daarvoor beschikbaar zijn. Hier kan ook de vraag worden gesteld of de beschikbare subsidies wel bij de groep terechtkomt die de middelen het hardst nodig hebben, zie ook Ombudsman: verduurzaming van huis voor lage inkomens vaak niet haalbaar (https://nos.nl/artikel/2454898-ombudsman-verduurzaming-van-huis-voor-lage-inkomens-vaak-niet-haalbaar) 29
Het blijft een uitdaging om achter de voordeur te komen en (de meest kwetsbare) huishoudens te bereiken. Een groot deel van deze groep is bezig met overleven, niet met verduurzamen. Ook is het een zeer diverse groep. “Wie behoort nu precies tot die groep?”, is een veelgehoorde vraag. Het ontbreken van taal- en digitale vaardigheden is een grote hindernis voor veel coaches en fixers. Investeer daarom in taal- en digitale vaardigheden. Beperkte taal- en digitale vaardigheden leiden er toe dat mensen kansen missen. Investeringen in taal- en digitale vaardigheden leiden tot grote positieve effecten. Personen die starten met een taalcursus kunnen binnen zes maanden hun taalvaardigheid verbeteren. 50 tot 65 procent van hen vindt zo een betere plek in de samenleving. De verbetering van de taalvaardigheid heeft ook positieve effecten op gezondheid en sociale participatie. Zie bijvoorbeeld Kok, L. & R. Scholte (2013) Rendement van cursussen voor laaggeletterden. SEO: Amsterdam. 30 Betere taal- en digitale vaardigheden zorgen er tevens voor dat energiebesparende maatregelen (waaronder beschikbare subsidies) eerder onder de aandacht komen en dat de aanvraag (deels) zelf kan worden georganiseerd.
Gemeenten proberen achter de voordeur te komen en hulp te bieden waar mogelijk. Als er ook andere problematiek wordt aangetroffen dan wordt een andere afdeling ingeschakeld om voor ondersteuning – indien vanuit de bewoners gewenst – te zorgen. De aanpak van energiearmoede gaat daarmee vaak verder dan het aanbrengen van energiebesparende maatregelen. Die ‘domeinoverstijgende’ aanpak staat nog in de kinderschoenen maar gemeenten zijn er enthousiast over. Omdat bijvoorbeeld energiefixers en energiecoaches vaak achter de voordeur komen, wordt andere problematiek aangetroffen en wordt een welzijnsorganisatie, woningcorporatie of andere organisatie ingeschakeld. Energiefixers en energiecoaches zijn vaak ook personen die bekend zijn in wijk, buurt en dorp waardoor bewoners minder wantrouwend zijn dan indien er een beleidsambtenaar voor de deur staat. De brede aanpak van energiearmoede kan er zo voor zorgen dat het vertrouwen onder bewoners groeit. Indien men tevreden is raken meer mensen via mond-tot-mond reclame op de hoogte van de mogelijkheden om op meerdere terreinen geholpen te worden. Een mooi voorbeeld is de volgende: Als er eenmaal mensen uit de doelgroep zijn benaderd dan is een zogenaamde doorgeefbon een goed idee; mensen waar een kierenjager (gemeente Helmond) is geweest – maar dat kan ook een energiefixer of energiecoach zijn – krijgen een bon om door te geven aan een buur of een kennis voor diezelfde kierenjager (of energiecoach, energiefixer). Dat voelt voor mensen ook als iets van waarde wat ze door kunnen geven. Zie ook: Helmond bereikt duizenden inwoners met brede aanpak energiearmoede – Platform31 | Kennis en netwerk voor stad en regio (https://www.platform31.nl/artikelen/helmond-bereikt-duizenden-inwoners-met-brede-aanpak-energiearmoede/) 31
Het is opvallend dat bewonersinitiatieven nauwelijks een rol lijken te spelen in de aanpak van energiearmoede in de gemeenten die te maken met hebben met hoge energiearmoede in één of meerdere wijken, buurten en dorpen. Bewonersinitiatieven staan vaak dicht bij bewoners en komen, omdat de bewoners vertrouwen hebben en de vrijwilligers vaak ook kennen, ook achter de voordeur. Het in beweging krijgen en enthousiasmeren van bewoners lijkt kansrijker met inspiratie van medebewoners dan via een boodschap van de gemeente of anonieme organisatie. Bij bewonersinitiatieven in de warmtetransitie draait het naast verduurzaming vaak om het creëren van draagvlak, betrokkenheid, sociale samenhang én het koppelen aan andere vraagstukken of belangen op wijkniveau. Bewonersinitiatieven zijn daarom van groot belang voor de energietransitie, zeker in kwetsbare gebieden. Juist daar zijn bewonersinitiatieven van grote waarde aangezien het daar extra lastig is bewoners te bereiken, en medebewoners daar succesvoller in zijn. Een gemeentelijke topdown-benadering zal daar minder aanslaan. Zie ook Bewonersinitiatieven: een niet te onderschatten kracht in de energietransitie – Platform31 | Kennis en netwerk voor stad en regio (https://www.platform31.nl/artikelen/bewonersinitiatieven-een-niet-te-onderschatten-kracht-in-de-energietransitie/) en Gemeenten missen visie op bewonersinitiatieven (https://www.binnenlandsbestuur.nl/ruimte-en-milieu/gemeenten-missen-visie-over-hoe-om-te-gaan-met-bewonersinitiatieven) 32 Er zijn voorbeelden bekend van bewonersinitiatieven die zelf een rol oppakken in de energiearmoede-opgave, bijvoorbeeld initiatiefnemers die zich laten bijscholen tot energiecoach, en met energieboxen langs de deuren gaan. Of bewonersinitiatieven die een coördinerende rol spelen of helpen bij het leveren van vrijwilligers. Zie bijvoorbeeld Bewonersinitiatieven: een niet te onderschatten kracht in de energietransitie – Platform31 | Kennis en netwerk voor stad en regio (https://www.platform31.nl/artikelen/bewonersinitiatieven-een-niet-te-onderschatten-kracht-in-de-energietransitie/) 33
Opvallend is dat zich onder de gemeentelijke gesprekspartners veel tijdelijk, ingehuurde professionals bevonden. Professionals met veel kennis en hart voor de zaak maar ook een paar maanden voor de beëindiging van hun aanstelling. Uit de gesprekken blijkt dat er regelmatig sprake is van onduidelijkheid over het verdere vervolg van de programma’s en projecten en daarmee dreigt het gevaar van het verdwijnen van de opgebouwde kennis (bijvoorbeeld de kennis die is opgebouwd om de meest kwetsbare huishoudens in beeld te krijgen). Soms is een gemeente ook te klein om alles in huis te hebben, bijvoorbeeld indien het specifiek juridische of technische kennis betreft. Dit is een bekend probleem. Veel gemeenten kampen met capaciteitstekort en personeelsverloop. Er zijn weliswaar middelen uit de tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE) beschikbaar gesteld maar omdat deze middelen slechts tijdelijk zijn wordt vaak voor externe en/of tijdelijk inhuur gekozen. Zie Lokale Warmtetransitie in Beeld 2023 (https://www.nplw.nl/uploads/files/Data-en-monitoring/Lokale-Warmtetransitie-in-Beel2023.pdf) 34 Beperkte capaciteit vanuit gemeenten, het verloop onder het personeel en dergelijke zijn dan ook redenen om (meer) betrokkenheid van bewonersinitiatieven bij de aanpak van energiearmoede te overwegen. Het gezamenlijk optrekken (van gemeenten) om beperkte capaciteit op te vangen en specialistische kennis te borgen is een andere stap in de goede richting maar de structurele inzet van personeel is nodig om de energietransitie te kunnen versnellen.
Uit de gesprekken komen vele activiteiten en maatregelen naar voren die gemeenten inzetten om huishoudens met energiearmoede te ondersteunen. Belangrijk te weten is of al die maatregelen ook daadwerkelijk werken. Het monitoren en evalueren van beleid en programma’s is vaak geen populaire activiteit binnen gemeenten maar het is om meerdere redenen wel zeer zinvol. Naast dat geleerd wordt van niet of deels behaalde resultaten, gaat het ook om het beter kunnen borgen van de aanpak (en/of goedwerkende onderdelen). Het beter delen van resultaten en lessen zorgt voor meer politiek draagvlak, maar vooral ook voor maatschappelijk draagvlak. Zeker indien programma’s, projecten, pilots en initiatieven plaatsvinden met tijdelijke financiering (wat vaak het geval is), is een goede afsluiting van groot belang. Welke resultaten zijn geboekt, wat kan er beter en hoe? Met nieuwe (tijdelijke) financiering kan er dan verder worden gebouwd aan efficiënte en effectieve maatregelen (en op termijn met structurele middelen) en kan er vermeden worden dat er weer geheel nieuwe goedbedoelde programma’s, projecten, pilots en dergelijke worden opgezet (en er een projectencarrousel ontstaat).